Klaagliederen 2:4
“Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, Hij heeft gestaan met Zijn rechterhand als een tegenpartij, en Hij heeft alles gedood wat liefelijk was voor het oog; in de tent van de dochter van Sion heeft Hij Zijn grimmigheid uitgestort als vuur.”
Kruisverwijzingen
Context
Klaagliederen 2 — omringende verzen
Hoe heeft de Heer de dochter van Sion met een wolk bedekt in Zijn toorn, en de heerlijkheid van Israël neergeworpen van de hemel op de aarde, en niet gedacht aan de voetbank van Zijn voeten op de dag van Zijn toorn!
2De Heer heeft al de woningen van Jakob verslonden en niet gespaard; Hij heeft in Zijn grimmigheid de vestingen van de dochter van Juda afgebroken; Hij heeft ze ter aarde doen neerkomen; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
3Hij heeft in Zijn brandende toorn alle hoorn van Israël afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken voor het aangezicht van de vijand, en Hij heeft tegen Jakob gebrand als een vlammend vuur dat rondom verteert.
Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, Hij heeft gestaan met Zijn rechterhand als een tegenpartij, en Hij heeft alles gedood wat liefelijk was voor het oog; in de tent van de dochter van Sion heeft Hij Zijn grimmigheid uitgestort als vuur.
De Heer is geweest als een vijand, Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden, Hij heeft zijn vestingen vernietigd, en Hij heeft bij de dochter van Juda rouw en weeklacht vermenigvuldigd.
6En Hij heeft Zijn tent met geweld weggerukt als die van een hof; Hij heeft Zijn vergaderplaats vernield; de HEER heeft in Sion de feesttijden en sabbat doen vergeten, en in de verbolgenheid van Zijn toorn koning en priester veracht.
7De Heer heeft Zijn altaar verstoten, Hij heeft Zijn heiligdom verfoeid, Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgegeven; zij hebben een geroep gemaakt in het huis des HEREN als op een feestdag.
8De HEER heeft zich voorgenomen de muur van de dochter van Sion te verderven; Hij heeft het meetsnoer uitgespannen, Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verderven; daarom heeft Hij de wal en de muur doen rouwen, zij zijn tezamen vervallen.
9Haar poorten zijn in de aarde gezonken, Hij heeft haar grendels vernield en verbroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, de wet is er niet meer; ook vinden haar profeten geen gezicht van de HEER.