Klaagliederen 2:9
“Haar poorten zijn in de aarde gezonken, Hij heeft haar grendels vernield en verbroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, de wet is er niet meer; ook vinden haar profeten geen gezicht van de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Klaagliederen 2 — omringende verzen
Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, Hij heeft gestaan met Zijn rechterhand als een tegenpartij, en Hij heeft alles gedood wat liefelijk was voor het oog; in de tent van de dochter van Sion heeft Hij Zijn grimmigheid uitgestort als vuur.
5De Heer is geweest als een vijand, Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden, Hij heeft zijn vestingen vernietigd, en Hij heeft bij de dochter van Juda rouw en weeklacht vermenigvuldigd.
6En Hij heeft Zijn tent met geweld weggerukt als die van een hof; Hij heeft Zijn vergaderplaats vernield; de HEER heeft in Sion de feesttijden en sabbat doen vergeten, en in de verbolgenheid van Zijn toorn koning en priester veracht.
7De Heer heeft Zijn altaar verstoten, Hij heeft Zijn heiligdom verfoeid, Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgegeven; zij hebben een geroep gemaakt in het huis des HEREN als op een feestdag.
8De HEER heeft zich voorgenomen de muur van de dochter van Sion te verderven; Hij heeft het meetsnoer uitgespannen, Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verderven; daarom heeft Hij de wal en de muur doen rouwen, zij zijn tezamen vervallen.
Haar poorten zijn in de aarde gezonken, Hij heeft haar grendels vernield en verbroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, de wet is er niet meer; ook vinden haar profeten geen gezicht van de HEER.
De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde en zwijgen; zij hebben stof op hun hoofd geworpen, zij hebben zich met een zak omgord; de maagden van Jeruzalem hangen hun hoofd neer ter aarde.
11Mijn ogen bezwijken van tranen, mijn ingewanden zijn ontroerd, mijn lever is op de aarde uitgestort over de verbreking van de dochter van mijn volk, omdat de kinderen en de zuigelingen bezwijken op de straten van de stad.
12Zij zeggen tot hun moeders: Waar is koren en wijn?, als zij op de straten van de stad bezwijken als de verwonden, als hun ziel uitgestort wordt in de schoot van hun moeders.
13Wat zal ik u tot getuige nemen? Waarmee zal ik u vergelijken, dochter van Jeruzalem? Wat zal ik u gelijkstellen om u te troosten, maagdelijke dochter van Sion? Want uw breuk is groot als de zee; wie kan u genezen?
14Uw profeten hebben voor u ijdele en dwaze dingen gezien, en zij hebben uw ongerechtigheid niet ontdekt om uw gevangenschap af te wenden, maar hebben voor u valse lasten en oorzaken van verdrijving gezien.