Klaagliederen 2:13
“Wat zal ik u tot getuige nemen? Waarmee zal ik u vergelijken, dochter van Jeruzalem? Wat zal ik u gelijkstellen om u te troosten, maagdelijke dochter van Sion? Want uw breuk is groot als de zee; wie kan u genezen?”
Kruisverwijzingen
Context
Klaagliederen 2 — omringende verzen
De HEER heeft zich voorgenomen de muur van de dochter van Sion te verderven; Hij heeft het meetsnoer uitgespannen, Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verderven; daarom heeft Hij de wal en de muur doen rouwen, zij zijn tezamen vervallen.
9Haar poorten zijn in de aarde gezonken, Hij heeft haar grendels vernield en verbroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, de wet is er niet meer; ook vinden haar profeten geen gezicht van de HEER.
10De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde en zwijgen; zij hebben stof op hun hoofd geworpen, zij hebben zich met een zak omgord; de maagden van Jeruzalem hangen hun hoofd neer ter aarde.
11Mijn ogen bezwijken van tranen, mijn ingewanden zijn ontroerd, mijn lever is op de aarde uitgestort over de verbreking van de dochter van mijn volk, omdat de kinderen en de zuigelingen bezwijken op de straten van de stad.
12Zij zeggen tot hun moeders: Waar is koren en wijn?, als zij op de straten van de stad bezwijken als de verwonden, als hun ziel uitgestort wordt in de schoot van hun moeders.
Wat zal ik u tot getuige nemen? Waarmee zal ik u vergelijken, dochter van Jeruzalem? Wat zal ik u gelijkstellen om u te troosten, maagdelijke dochter van Sion? Want uw breuk is groot als de zee; wie kan u genezen?
Uw profeten hebben voor u ijdele en dwaze dingen gezien, en zij hebben uw ongerechtigheid niet ontdekt om uw gevangenschap af te wenden, maar hebben voor u valse lasten en oorzaken van verdrijving gezien.
15Allen die voorbijgaan, klappen met de handen over u; zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem: Is dit de stad die men noemde: De volmaaktheid van schoonheid, de vreugde der ganse aarde?
16Al uw vijanden hebben hun mond tegen u opengesperd; zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; voorwaar, dit is de dag waarop wij hoopten, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.
17De HEER heeft gedaan wat Hij bedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld dat Hij geboden had in de dagen van ouds; Hij heeft afgebroken en niet gespaard, en Hij heeft de vijand over u doen verheugen, Hij heeft de hoorn van uw tegenpartijen verhoogd.
18Hun hart riep tot de Heer: O muur van de dochter van Sion, laat tranen dag en nacht neervloeien als een rivier; gun uzelf geen rust, laat de appel van uw oog niet ophouden.