Terug naar Klaagliederen 2
VSV
Statenvertaling

Klaagliederen 2:11

Mijn ogen bezwijken van tranen, mijn ingewanden zijn ontroerd, mijn lever is op de aarde uitgestort over de verbreking van de dochter van mijn volk, omdat de kinderen en de zuigelingen bezwijken op de straten van de stad.

Kruisverwijzingen

Context

Klaagliederen 2 — omringende verzen

6

En Hij heeft Zijn tent met geweld weggerukt als die van een hof; Hij heeft Zijn vergaderplaats vernield; de HEER heeft in Sion de feesttijden en sabbat doen vergeten, en in de verbolgenheid van Zijn toorn koning en priester veracht.

7

De Heer heeft Zijn altaar verstoten, Hij heeft Zijn heiligdom verfoeid, Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgegeven; zij hebben een geroep gemaakt in het huis des HEREN als op een feestdag.

8

De HEER heeft zich voorgenomen de muur van de dochter van Sion te verderven; Hij heeft het meetsnoer uitgespannen, Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van het verderven; daarom heeft Hij de wal en de muur doen rouwen, zij zijn tezamen vervallen.

9

Haar poorten zijn in de aarde gezonken, Hij heeft haar grendels vernield en verbroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, de wet is er niet meer; ook vinden haar profeten geen gezicht van de HEER.

10

De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde en zwijgen; zij hebben stof op hun hoofd geworpen, zij hebben zich met een zak omgord; de maagden van Jeruzalem hangen hun hoofd neer ter aarde.

11

Mijn ogen bezwijken van tranen, mijn ingewanden zijn ontroerd, mijn lever is op de aarde uitgestort over de verbreking van de dochter van mijn volk, omdat de kinderen en de zuigelingen bezwijken op de straten van de stad.

12

Zij zeggen tot hun moeders: Waar is koren en wijn?, als zij op de straten van de stad bezwijken als de verwonden, als hun ziel uitgestort wordt in de schoot van hun moeders.

13

Wat zal ik u tot getuige nemen? Waarmee zal ik u vergelijken, dochter van Jeruzalem? Wat zal ik u gelijkstellen om u te troosten, maagdelijke dochter van Sion? Want uw breuk is groot als de zee; wie kan u genezen?

14

Uw profeten hebben voor u ijdele en dwaze dingen gezien, en zij hebben uw ongerechtigheid niet ontdekt om uw gevangenschap af te wenden, maar hebben voor u valse lasten en oorzaken van verdrijving gezien.

15

Allen die voorbijgaan, klappen met de handen over u; zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem: Is dit de stad die men noemde: De volmaaktheid van schoonheid, de vreugde der ganse aarde?

16

Al uw vijanden hebben hun mond tegen u opengesperd; zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; voorwaar, dit is de dag waarop wij hoopten, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.