Terug naar Klaagliederen 2
VSV
Statenvertaling

Klaagliederen 2:17

De HEER heeft gedaan wat Hij bedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld dat Hij geboden had in de dagen van ouds; Hij heeft afgebroken en niet gespaard, en Hij heeft de vijand over u doen verheugen, Hij heeft de hoorn van uw tegenpartijen verhoogd.

Kruisverwijzingen

Context

Klaagliederen 2 — omringende verzen

12

Zij zeggen tot hun moeders: Waar is koren en wijn?, als zij op de straten van de stad bezwijken als de verwonden, als hun ziel uitgestort wordt in de schoot van hun moeders.

13

Wat zal ik u tot getuige nemen? Waarmee zal ik u vergelijken, dochter van Jeruzalem? Wat zal ik u gelijkstellen om u te troosten, maagdelijke dochter van Sion? Want uw breuk is groot als de zee; wie kan u genezen?

14

Uw profeten hebben voor u ijdele en dwaze dingen gezien, en zij hebben uw ongerechtigheid niet ontdekt om uw gevangenschap af te wenden, maar hebben voor u valse lasten en oorzaken van verdrijving gezien.

15

Allen die voorbijgaan, klappen met de handen over u; zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem: Is dit de stad die men noemde: De volmaaktheid van schoonheid, de vreugde der ganse aarde?

16

Al uw vijanden hebben hun mond tegen u opengesperd; zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; voorwaar, dit is de dag waarop wij hoopten, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

17

De HEER heeft gedaan wat Hij bedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld dat Hij geboden had in de dagen van ouds; Hij heeft afgebroken en niet gespaard, en Hij heeft de vijand over u doen verheugen, Hij heeft de hoorn van uw tegenpartijen verhoogd.

18

Hun hart riep tot de Heer: O muur van de dochter van Sion, laat tranen dag en nacht neervloeien als een rivier; gun uzelf geen rust, laat de appel van uw oog niet ophouden.

19

Sta op, roep uit in de nacht, in het begin van de nachtwaken; stort uw hart uit als water voor het aangezicht des Heren; hef uw handen tot Hem op voor het leven van uw jonge kinderen, die van honger bezwijken aan het hoofd van alle straten.

20

Zie, HEER, en aanschouw aan wie Gij dit gedaan hebt! Zullen de vrouwen hun vrucht eten, kinderen van een span lang? Zullen priester en profeet gedood worden in het heiligdom des Heren?

21

De jongeling en de grijsaard liggen op de aarde in de straten; mijn maagden en mijn jongelingen zijn gevallen door het zwaard; Gij hebt hen gedood op de dag van Uw toorn, Gij hebt geslacht en niet gespaard.

22

Gij hebt als op een feestdag mijn verschrikkingen van rondom bijeengeroepen, zodat er op de dag van de toorn des HEREN geen ontkomen of overblijven was; degenen die ik in de doeken gewikkeld en groot gebracht heb, heeft mijn vijand verteerd.