VSV
StatenvertalingLeviticus 11:2
“Spreek tot de kinderen Israëls en zeg: Dit zijn de dieren die gij eten moogt van alle dieren die op de aarde zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 11 — omringende verzen
1
En de HEER sprak tot Mozes en tot Aäron, en zeide tot hen:
2
3Spreek tot de kinderen Israëls en zeg: Dit zijn de dieren die gij eten moogt van alle dieren die op de aarde zijn.
Al wat de hoef klooft en gespleten hoeven heeft en de herkauwt onder de dieren, dat moogt gij eten.
4Maar deze zult gij niet eten van degenen die herkauwen of van degenen die de hoef splijten: de kameel, omdat hij herkauwt maar de hoef niet splijt; hij is onrein voor u.
5En de klipdas, omdat hij herkauwt maar de hoef niet splijt; hij is onrein voor u.
6En de haas, omdat hij herkauwt maar de hoef niet splijt; hij is onrein voor u.
7En het zwijn, hoewel het de hoef splijt en gespleten hoeven heeft, kauwt het niet her; het is onrein voor u.