Terug naar Leviticus 11
VSV
Statenvertaling

Leviticus 11:32

En op alles waarop iets van hen valt wanneer zij dood zijn, zal onrein zijn; hetzij enig houten vat, of kleding, of huid, of zak, welk vat het ook zij waarmee men werk doet, het moet in water gedaan worden en het zal onrein zijn tot de avond; dan zal het gereinigd zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 11 — omringende verzen

27

En al wat op zijn poten gaat, onder alle dieren die op alle vier gaan, die zijn onrein voor u; wie hun dode lichaam aanraakt, zal onrein zijn tot de avond.

28

En wie hun dode lichaam draagt, zal zijn kleren wassen en onrein zijn tot de avond; zij zijn onrein voor u.

29

Ook dezen zullen onrein zijn voor u onder het kruipende gedierte dat op de aarde kruipt: de wezel, de muis en de schildpad naar zijn soort,

30

En de spitsmuis, het kameleon, de hagedis, de slak en de mol.

31

Dezen zijn onrein voor u onder alles wat kruipt; wie hen aanraakt wanneer zij dood zijn, zal onrein zijn tot de avond.

32

En op alles waarop iets van hen valt wanneer zij dood zijn, zal onrein zijn; hetzij enig houten vat, of kleding, of huid, of zak, welk vat het ook zij waarmee men werk doet, het moet in water gedaan worden en het zal onrein zijn tot de avond; dan zal het gereinigd zijn.

33

En elk aarden vat waarin iets van hen valt, alles wat daarin is zal onrein zijn; en gij zult het breken.

34

Van alle spijs die men mag eten, waarop zulk water komt, zal onrein zijn; en alle drank die men mag drinken in zulk een vat zal onrein zijn.

35

En alles waarop iets van hun dode lichaam valt, zal onrein zijn; hetzij een oven of een vuurpot, zij zullen afgebroken worden; want zij zijn onrein en zullen onrein zijn voor u.

36

Maar een fontein of put, waarin een overvloed van water is, zal rein zijn; maar wie hun dode lichaam aanraakt, zal onrein zijn.

37

En indien iets van hun dode lichaam valt op enig zaadzaad dat gezaaid zal worden, het zal rein zijn.