Terug naar Leviticus 11
VSV
Statenvertaling

Leviticus 11:37

En indien iets van hun dode lichaam valt op enig zaadzaad dat gezaaid zal worden, het zal rein zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 11 — omringende verzen

32

En op alles waarop iets van hen valt wanneer zij dood zijn, zal onrein zijn; hetzij enig houten vat, of kleding, of huid, of zak, welk vat het ook zij waarmee men werk doet, het moet in water gedaan worden en het zal onrein zijn tot de avond; dan zal het gereinigd zijn.

33

En elk aarden vat waarin iets van hen valt, alles wat daarin is zal onrein zijn; en gij zult het breken.

34

Van alle spijs die men mag eten, waarop zulk water komt, zal onrein zijn; en alle drank die men mag drinken in zulk een vat zal onrein zijn.

35

En alles waarop iets van hun dode lichaam valt, zal onrein zijn; hetzij een oven of een vuurpot, zij zullen afgebroken worden; want zij zijn onrein en zullen onrein zijn voor u.

36

Maar een fontein of put, waarin een overvloed van water is, zal rein zijn; maar wie hun dode lichaam aanraakt, zal onrein zijn.

37

En indien iets van hun dode lichaam valt op enig zaadzaad dat gezaaid zal worden, het zal rein zijn.

38

Maar indien er water over het zaad is gegoten en iets van hun dode lichaam daarop valt, het zal onrein zijn voor u.

39

En indien enig dier waarvan gij eten moogt, sterft: wie het dode lichaam daarvan aanraakt, zal onrein zijn tot de avond.

40

En wie van het dode lichaam daarvan eet, zal zijn kleren wassen en onrein zijn tot de avond; ook wie het dode lichaam daarvan draagt, zal zijn kleren wassen en onrein zijn tot de avond.

41

En elk kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, zal een gruwel zijn; het mag niet gegeten worden.

42

Wat op zijn buik gaat, en wat op alle vier gaat, of wat meer voeten heeft onder al het kruipende gedierte dat op de aarde kruipt, dat moogt gij niet eten; want zij zijn een gruwel.