Terug naar Leviticus 13
VSV
Statenvertaling

Leviticus 13:49

En als de plaag groenachtig of roodachtig is in het kleed of in de huid, of in de ketting of in de inslag, of in enig ding van huid, dan is het een plaag van melaatsheid en moet het aan de priester getoond worden.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 13 — omringende verzen

44

Hij is een melaatse man, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren; zijn plaag is op zijn hoofd.

45

En de melaatse in wie de plaag is, zal zijn kleren scheuren en zijn hoofd onbedekt laten, en hij zal zijn bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein!

46

Al de dagen waarop de plaag in hem zal zijn, zal hij onrein zijn; hij is onrein; hij zal alleen wonen; buiten het kamp zal zijn verblijfplaats zijn.

47

Het kleed ook waarin de plaag van melaatsheid is, hetzij een wollen kleed of een linnen kleed,

48

Hetzij in de ketting of in de inslag, van linnen of van wol, hetzij in een huid of in iets van huid vervaardigd,

49

En als de plaag groenachtig of roodachtig is in het kleed of in de huid, of in de ketting of in de inslag, of in enig ding van huid, dan is het een plaag van melaatsheid en moet het aan de priester getoond worden.

50

En de priester zal de plaag bezien en het aangetaste zeven dagen opsluiten.

51

En hij zal de plaag op de zevende dag bezien; indien de plaag zich verspreid heeft in het kleed, of in de ketting, of in de inslag, of in een huid, of in enig werk van huid, dan is de plaag een knagend melaatsheid; het is onrein.

52

Hij zal daarom dat kleed verbranden, hetzij ketting of inslag, van wol of van linnen, of enig ding van huid waarin de plaag is; want het is een knagende melaatsheid; het zal in het vuur verbrand worden.

53

En als de priester beziet en zie, de plaag heeft zich niet verspreid in het kleed, noch in de ketting, noch in de inslag, noch in enig ding van huid,

54

Dan zal de priester gebieden dat men het voorwerp waarin de plaag is, wast, en hij zal het nog zeven dagen opsluiten.