Terug naar Leviticus 13
VSV
Statenvertaling

Leviticus 13:44

Hij is een melaatse man, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren; zijn plaag is op zijn hoofd.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 13 — omringende verzen

39

Dan zal de priester het bezien; en zie, indien de blanke plekken in de huid van hun vlees dof wit zijn, is het een sproetachtige uitslag die in de huid groeit; hij is rein.

40

En de man wiens haar is uitgevallen van zijn hoofd, hij is kaal; maar hij is rein.

41

En wie zijn haar verloren heeft aan het voorste deel van zijn hoofd, hij is aan het voorhoofd kaal; maar hij is rein.

42

En als er in de kale schedel of op het kale voorhoofd een witachtig roodachtige zweer is, dan is het melaatsheid die uitgebroken is in zijn kale hoofd of zijn kale voorhoofd.

43

Dan zal de priester het bezien; en zie, indien de zwelling van de zweer witachtig roodachtig is op zijn kale hoofd of zijn kale voorhoofd, zoals melaatsheid er uitziet in de huid van het vlees,

44

Hij is een melaatse man, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren; zijn plaag is op zijn hoofd.

45

En de melaatse in wie de plaag is, zal zijn kleren scheuren en zijn hoofd onbedekt laten, en hij zal zijn bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein!

46

Al de dagen waarop de plaag in hem zal zijn, zal hij onrein zijn; hij is onrein; hij zal alleen wonen; buiten het kamp zal zijn verblijfplaats zijn.

47

Het kleed ook waarin de plaag van melaatsheid is, hetzij een wollen kleed of een linnen kleed,

48

Hetzij in de ketting of in de inslag, van linnen of van wol, hetzij in een huid of in iets van huid vervaardigd,

49

En als de plaag groenachtig of roodachtig is in het kleed of in de huid, of in de ketting of in de inslag, of in enig ding van huid, dan is het een plaag van melaatsheid en moet het aan de priester getoond worden.