Terug naar Leviticus 14
VSV
Statenvertaling

Leviticus 14:28

En de priester zal van de olie die in zijn hand is, strijken op de rechteroorlel van hem die gereinigd moet worden, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 14 — omringende verzen

23

En hij zal ze op de achtste dag voor zijn reiniging tot de priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht van de HEER.

24

En de priester zal het lam van het schuldoffer nemen, en de log olie, en de priester zal ze als beweegoffer voor de HEER bewegen.

25

En hij zal het lam van het schuldoffer slachten, en de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen en het strijken op de rechteroorlel van hem die gereinigd moet worden, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet.

26

En de priester zal van de olie uitgieten in de palm van zijn eigen linkerhand.

27

En de priester zal met zijn rechterwijsvinger zevenmaal van de olie sprengen die in zijn linkerhand is, voor het aangezicht van de HEER.

28

En de priester zal van de olie die in zijn hand is, strijken op de rechteroorlel van hem die gereinigd moet worden, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.

29

En het overige van de olie die in de hand van de priester is, zal hij uitgieten op het hoofd van hem die gereinigd moet worden, ter verzoening voor hem voor het aangezicht van de HEER.

30

En hij zal één van de tortelduiven of van de jonge duiven offeren, zoveel als hij kan verkrijgen,

31

ja, zoveel als hij kan verkrijgen: de ene als zondoffer en de andere als brandoffer, met het spijsoffer; en de priester zal verzoening doen voor hem die gereinigd moet worden, voor het aangezicht van de HEER.

32

Dit is de wet voor hem in wie de plaag der melaatsheid is, wiens hand niet in staat is te verkrijgen wat voor zijn reiniging vereist is.

33

En de HEER sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: