Leviticus 14:8
“En hij die gereinigd moet worden, zal zijn klederen wassen en al zijn haar afscheren en zich in water wassen, zodat hij rein zij; en daarna zal hij het kamp binnenkomen, maar hij zal zeven dagen buiten zijn tent verblijven.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 14 — omringende verzen
En de priester zal uit het kamp gaan; en de priester zal kijken, en zie, indien de plaag der melaatsheid in de melaatse genezen is,
4dan zal de priester gebieden dat men voor hem die gereinigd moet worden twee levende, reine vogels neemt, alsmede cederhout, scharlaken en hyssop.
5En de priester zal gebieden dat men één van de vogels slacht in een aarden vat boven stromend water.
6Wat de levende vogel betreft, hij zal die nemen, alsmede het cederhout, het scharlaken en de hyssop, en zal deze en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel die boven het stromende water geslacht is.
7En hij zal zevenmaal sprengen op hem die van de melaatsheid gereinigd moet worden, en hem rein verklaren, en de levende vogel loslaten in het open veld.
En hij die gereinigd moet worden, zal zijn klederen wassen en al zijn haar afscheren en zich in water wassen, zodat hij rein zij; en daarna zal hij het kamp binnenkomen, maar hij zal zeven dagen buiten zijn tent verblijven.
Doch op de zevende dag zal hij al het haar van zijn hoofd, zijn baard en zijn wenkbrauwen afscheren; ja, al zijn haar zal hij afscheren; en hij zal zijn klederen wassen, ook zal hij zijn vlees in water wassen, en hij zal rein zijn.
10En op de achtste dag zal hij twee gave ramslammeren nemen, en één gave ooilam van het eerste jaar, en drie tienden fijn meel als spijsoffer, gemengd met olie, en één log olie.
11En de priester die hem reinigt, zal de man die gereinigd moet worden, en die dingen, voor het aangezicht van de HEER stellen, aan de deur van de tent der samenkomst.
12En de priester zal één ramslam nemen en het als schuldoffer offeren, alsmede de log olie, en ze als beweegoffer voor de HEER bewegen.
13En hij zal het lam slachten op de plaats waar hij het zondoffer en het brandoffer slacht, op de heilige plaats; want zoals het zondoffer aan de priester toebehoort, zo behoort ook het schuldoffer hem toe; het is hoogheilig.