Leviticus 19:18
“Gij zult niet wreken, noch een wrok koesteren tegen de kinderen van uw volk, maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 19 — omringende verzen
Gij zult uw naaste niet afpersen, noch hem beroven; het loon van een gehuurde arbeider zal niet bij u overnachten tot de morgen.
14Gij zult de dove niet vervloeken, noch een struikelblok voor de blinde leggen, maar gij zult uw God vrezen: Ik ben de HEER.
15Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult de persoon van de arme niet ontzien, noch de persoon van de machtige eren; maar in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
16Gij zult niet als een lasteraar onder uw volk rondgaan; noch zult gij opstaan tegen het bloed van uw naaste: Ik ben de HEER.
17Gij zult uw broeder niet haten in uw hart; gij zult uw naaste zeker bestraffen, en geen zonde om zijnentwil dragen.
Gij zult niet wreken, noch een wrok koesteren tegen de kinderen van uw volk, maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HEER.
Gij zult Mijn inzettingen onderhouden. Gij zult uw vee niet laten paren met een ander soort; gij zult uw veld niet bezaaien met gemengd zaad; en een kleed geweven van linnen en wol zal niet op u komen.
20En indien iemand vleselijk ligt bij een vrouw die een slavin is, verloofd aan een man, en zij geenszins is vrijgekocht, noch vrijheid gegeven; dan zal zij gegeseld worden; zij zullen niet ter dood gebracht worden, omdat zij niet vrij was.
21En hij zal zijn schuldoffer aan de HEER brengen, tot de deur van de tent der samenkomst, namelijk een ram als schuldoffer.
22En de priester zal voor hem verzoening doen met de ram van het schuldoffer voor de HEER wegens zijn zonde die hij begaan heeft; en de zonde die hij begaan heeft zal hem vergeven worden.
23En wanneer gij in het land zult komen en allerlei vruchtbomen geplant zult hebben, dan zult gij hun vrucht als onbesneden beschouwen; drie jaar zullen zij als onbesneden voor u zijn; zij zullen niet gegeten worden.