Terug naar Leviticus 19
VSV
Statenvertaling

Leviticus 19:25

En in het vijfde jaar zult gij van haar vrucht eten, opdat zij haar opbrengst voor u vermeerdere: Ik ben de HEER uw God.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 19 — omringende verzen

20

En indien iemand vleselijk ligt bij een vrouw die een slavin is, verloofd aan een man, en zij geenszins is vrijgekocht, noch vrijheid gegeven; dan zal zij gegeseld worden; zij zullen niet ter dood gebracht worden, omdat zij niet vrij was.

21

En hij zal zijn schuldoffer aan de HEER brengen, tot de deur van de tent der samenkomst, namelijk een ram als schuldoffer.

22

En de priester zal voor hem verzoening doen met de ram van het schuldoffer voor de HEER wegens zijn zonde die hij begaan heeft; en de zonde die hij begaan heeft zal hem vergeven worden.

23

En wanneer gij in het land zult komen en allerlei vruchtbomen geplant zult hebben, dan zult gij hun vrucht als onbesneden beschouwen; drie jaar zullen zij als onbesneden voor u zijn; zij zullen niet gegeten worden.

24

Maar in het vierde jaar zal al hun vrucht heilig zijn, tot lofzegging voor de HEER.

25

En in het vijfde jaar zult gij van haar vrucht eten, opdat zij haar opbrengst voor u vermeerdere: Ik ben de HEER uw God.

26

Gij zult niets eten met het bloed; gij zult geen toverij bedrijven, noch op gunstige tijden letten.

27

Gij zult de hoeken van uw hoofd niet afkorten, noch de hoeken van uw baard misvormen.

28

Gij zult geen insnijdingen in uw vlees maken voor de dode, noch enige merktekens op u drukken: Ik ben de HEER.

29

Gij zult uw dochter niet ontwijden door haar tot een hoer te maken; opdat het land niet tot hoererij vervalle en het land vol van ongerechtigheid worde.

30

Gij zult Mijn sabbatten onderhouden en Mijn heiligdom vrezen: Ik ben de HEER.