Lukas 22:68
“En als Ik ook vraag, zult gij Mij niet antwoorden noch loslaten.”
Kruisverwijzingen
Context
Lukas 22 — omringende verzen
En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten Hem en sloegen Hem.
64En toen zij Hem de ogen hadden geblinddoekt, sloegen zij Hem in het gezicht en vroegen Hem: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?
65En nog vele andere dingen spraken zij godslasterlijk tegen Hem.
66En zodra het dag was, kwamen de oudsten van het volk en de overpriesters en de schriftgeleerden bijeen, en zij leidden Hem voor hun raad, zeggende:
67Zijt Gij de Christus? Zeg het ons. En Hij zei tot hen: Als Ik het u zeg, zult gij het niet geloven.
En als Ik ook vraag, zult gij Mij niet antwoorden noch loslaten.
Voortaan zal de Zoon des mensen zitten aan de rechterhand van de kracht Gods.
70Toen zeiden zij allen: Zijt Gij dan de Zoon van God? En Hij zei tot hen: Gij zegt dat Ik het ben.
71En zij zeiden: Welk getuigenis hebben wij nog nodig? Want wijzelf hebben het uit Zijn eigen mond gehoord.