Maleachi 2:12
“De HEER zal de man die dit doet, de waker zowel als de antwoorder, uitroeien uit de tenten van Jakob, en hem die een offer brengt aan de HEER der heerscharen.”
Kruisverwijzingen
Context
Maleachi 2 — omringende verzen
Want de lippen van een priester behoren kennis te bewaren, en men behoort uit zijn mond de wet te zoeken; want hij is de bode van de HEER der heerscharen.
8Maar gij zijt van de weg afgeweken; gij hebt velen in de wet doen struikelen; gij hebt het verbond van Levi verbroken, zegt de HEER der heerscharen.
9Daarom heb ook Ik u verachtellijk en gering gemaakt voor het gehele volk, overeenkomstig hetgeen gij Mijn wegen niet hebt bewaard, maar in de wet partijdig bent geweest.
10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, een ieder tegen zijn broeder, door het verbond onzer vaderen te ontheiligen?
11Juda heeft trouweloos gehandeld, en een gruwel is er begaan in Israël en in Jeruzalem; want Juda heeft de heiligheid van de HEER, die Hij liefheeft, ontheiligd, en heeft de dochter van een vreemde god gehuwd.
De HEER zal de man die dit doet, de waker zowel als de antwoorder, uitroeien uit de tenten van Jakob, en hem die een offer brengt aan de HEER der heerscharen.
En dit hebt gij wederom gedaan: gij overdekt het altaar van de HEER met tranen, met geween en gezucht, zodat Hij het offer niet meer aanmerkt, noch het met welgevallen uit uw hand ontvangt.
14Maar gij zegt: Waarom toch? Omdat de HEER getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, met wie gij trouweloos hebt gehandeld; terwijl zij toch uw gezellin is en de vrouw van uw verbond.
15En heeft Hij niet één gemaakt? En toch had Hij een rest van de geest. En waarom één? Om een godvruchtig nageslacht te verkrijgen. Hoed u dan in uw geest, en handele niemand trouweloos jegens de vrouw zijner jeugd.
16Want de HEER, de God van Israël, zegt dat Hij de echtscheiding haat; want wie haar verstoot, bedekt zijn gewaad met geweld, zegt de HEER der heerscharen; hoedt u dan in uw geest, dat gij niet trouweloos handelt.
17Gij hebt de HEER moede gemaakt met uw woorden. Toch zegt gij: Waarmee hebben wij Hem moede gemaakt? Daarmee dat gij zegt: Ieder die kwaad doet, is goed in de ogen van de HEER, en Hij heeft een welgevallen in hen; of: Waar is de God des oordeels?