Terug naar Maleachi 3
VSV
Statenvertaling

Maleachi 3:10

Breng al de tienden naar het schathuis, opdat er spijs in Mijn huis zij, en beproeft Mij daarmee toch, zegt de HEER der heerscharen, of Ik u de vensters des hemels niet openen en u een zegen uitgieten zal, zodat er geen ruimte genoeg zal zijn om hem te ontvangen.

Kruisverwijzingen

Context

Maleachi 3 — omringende verzen

5

En Ik zal tot u naderen ten gericht; en Ik zal een snel getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen de valselijk zweerders, en tegen hen die het loon van de dagloner inhouden, de weduwe en de wees verdrukkn, en de vreemdeling van zijn recht beroven, en Mij niet vrezen, zegt de HEER der heerscharen.

6

Want Ik ben de HEER, Ik verander niet; daarom zijt gij, zonen van Jakob, niet verteerd.

7

Van de dagen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet onderhouden. Keert tot Mij terug, en Ik zal tot u terugkeren, zegt de HEER der heerscharen. Maar gij zegt: Waarmee zullen wij terugkeren?

8

Zal een mens God beroven? Toch hebt gij Mij beroofd. Maar gij zegt: Waarmee hebben wij U beroofd? In de tienden en de hefoffer.

9

Gij zijt met een vloek vervloekt; want gij hebt Mij beroofd, dit gehele volk.

10

Breng al de tienden naar het schathuis, opdat er spijs in Mijn huis zij, en beproeft Mij daarmee toch, zegt de HEER der heerscharen, of Ik u de vensters des hemels niet openen en u een zegen uitgieten zal, zodat er geen ruimte genoeg zal zijn om hem te ontvangen.

11

En Ik zal om uwentwille de verterenden bestraffen, zodat hij de vrucht van uw akker niet zal verderven; en de wijnstok op het veld zal voor u zijn vrucht niet afwerpen voor de tijd, zegt de HEER der heerscharen.

12

En alle volken zullen u gelukkig prijzen; want gij zult een land des welbehagens zijn, zegt de HEER der heerscharen.

13

Uw woorden zijn hardvochtig geweest jegens Mij, zegt de HEER. Maar gij zegt: Wat hebben wij zoveel tegen U gesproken?

14

Gij hebt gezegd: Het is tevergeefs God te dienen; en wat baat het dat wij Zijn inzetting hebben onderhouden, en dat wij treurend voor de HEER der heerscharen hebben gewandeld?

15

En nu noemen wij de hovaardigen gelukkig; ja, zij die goddeloosheid bedrijven worden groot; ja, zij die God verzoeken, ontkomen er aan.