Mattheüs 10:6
“Maar gaat veeleer tot de verloren schapen van het huis Israëls.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 10 — omringende verzen
En toen Hij Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen had, gaf Hij hun macht over onreine geesten, om die uit te werpen, en om elke ziekte en elke kwaal te genezen.
2De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder;
3Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, wiens bijnaam Thaddeüs was;
4Simon de Kananiet, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
5Deze twaalf zond Jezus uit en gebood hun, zeggende: Gaat niet op de weg naar de heidenen, en gaat in geen stad der Samaritanen;
Maar gaat veeleer tot de verloren schapen van het huis Israëls.
En als gij gaat, predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
8Geneest de zieken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, werpt de duivelen uit; geeft vrijelijk, gelijk gij vrijelijk ontvangen hebt.
9Voorziet u niet van goud, noch van zilver, noch van koper in uw gordels,
10Noch van een reiszak voor de weg, noch van twee rokken, noch van schoenen, noch van een staf; want de arbeider is zijn voedsel waard.
11En in welke stad of welk dorp u dan ook binnenkomt, onderzoekt wie daarin het waard is; en blijft daar totdat u vertrekt.