Mattheüs 11:6
“En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 11 — omringende verzen
En het geschiedde, toen Jezus een einde gemaakt had aan het bevelen van Zijn twaalf discipelen, dat Hij van daar wegging om te onderwijzen en te prediken in hun steden.
2Toen Johannes nu in de gevangenis van de werken van Christus gehoord had, zond hij twee van zijn discipelen,
3En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of moeten wij een ander verwachten?
4Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weer wat gij hoort en ziet:
5De blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, de melaatsen worden gereinigd en de doven horen, de doden worden opgewekt en aan de armen wordt het evangelie verkondigd.
En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.
En toen zij heengingen, begon Jezus tot de scharen te spreken aangaande Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te zien? Een riet dat door de wind bewogen wordt?
8Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens bekleed met zachte klederen? Zie, zij die zachte klederen dragen, zijn in de huizen der koningen.
9Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, zeg Ik u, en meer dan een profeet.
10Want deze is het van wie geschreven staat: Zie, Ik zend Mijn bode voor Uw aangezicht uit, die Uw weg voor U zal bereiden.
11Voorwaar, Ik zeg u: Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er geen grotere opgestaan dan Johannes de Doper; nochtans, wie de kleinste is in het Koninkrijk der hemelen, is groter dan hij.