Mattheüs 18:25
“Maar dewijl hij niets had om te betalen, beval zijn heer dat hij verkocht zou worden, en zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, en dat de betaling zou geschieden.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 18 — omringende verzen
Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in het midden van hen.
21Toen kwam Petrus tot Hem en zeide: Heer, hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?
22Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven maal.
23Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening wilde houden met zijn dienstknechten.
24En toen hij begon te rekenen, werd er één tot hem gebracht die hem tienduizend talenten schuldig was.
Maar dewijl hij niets had om te betalen, beval zijn heer dat hij verkocht zou worden, en zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, en dat de betaling zou geschieden.
De dienstknecht viel dan neder en aanbad hem, zeggende: Heer, heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
27Toen werd de heer van die dienstknecht met ontferming bewogen, en hij liet hem los en schold hem de schuld kwijt.
28Maar diezelfde dienstknecht ging uit en vond één van zijn medeknechten die hem honderd penningen schuldig was; en hij greep hem en nam hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt.
29En zijn medeknecht viel aan zijn voeten en smeekte hem, zeggende: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
30Doch hij wilde niet, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld betaald zou hebben.