Mattheüs 25:40
“En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit aan een van de minsten van deze Mijn broeders hebt gedaan, hebt u het Mij gedaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 25 — omringende verzen
Want Ik was hongerig, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij opgenomen.
36Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u zijt tot Mij gekomen.
37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U gevoed, of dorstig en U te drinken gegeven?
38Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en U gekleed?
39Of wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn wij tot U gekomen?
En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit aan een van de minsten van deze Mijn broeders hebt gedaan, hebt u het Mij gedaan.
Dan zal Hij ook tot hen aan de linkerhand zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor de duivel en zijn engelen.
42Want Ik had honger en u hebt Mij geen spijs gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij geen drank gegeven;
43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.
44Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als een vreemdeling, of naakt, of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend?
45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit aan een van de minsten van dezen niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.