Mattheüs 25:35
“Want Ik was hongerig, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij opgenomen.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 25 — omringende verzen
En werpt de onnutte dienstknecht in de buitenste duisternis; daar zal weening zijn en knersing der tanden.
31Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
32En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.
33En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand stellen, maar de bokken aan de linkerhand.
34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af.
Want Ik was hongerig, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij opgenomen.
Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u zijt tot Mij gekomen.
37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U gevoed, of dorstig en U te drinken gegeven?
38Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en U gekleed?
39Of wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn wij tot U gekomen?
40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit aan een van de minsten van deze Mijn broeders hebt gedaan, hebt u het Mij gedaan.