Mattheüs 26:10
“Maar Jezus, dit bemerkende, zeide tot hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Zij heeft immers een goede daad aan Mij verricht.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer ontstaat onder het volk.
6Toen Jezus nu te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,
7Kwam een vrouw tot Hem met een albasten fles met zeer kostbare zalf, en zij goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij aan tafel aanlag.
8Maar toen Zijn discipelen dit zagen, werden zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe dient dit verlies?
9Want deze zalf had voor veel kunnen worden verkocht en aan de armen worden gegeven.
Maar Jezus, dit bemerkende, zeide tot hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Zij heeft immers een goede daad aan Mij verricht.
Want de armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.
12Want doordat zij deze zalf op Mijn lichaam heeft gegoten, heeft zij dit gedaan tot voorbereiding van Mijn begrafenis.
13Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, zal ook dit wat deze vrouw gedaan heeft, tot haar gedachtenis verteld worden.
14Toen ging een van de twaalf, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters
15En zei: Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem aan u overleveren? En zij kwamen met hem overeen voor dertig zilverstukken.