Mattheüs 26:5
“Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer ontstaat onder het volk.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zei:
2Gij weet dat het over twee dagen Pascha is, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.
3Toen vergaderden de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten des volks in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette,
4En zij beraadslaagden hoe zij Jezus met list in handen konden krijgen en Hem doden.
Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer ontstaat onder het volk.
Toen Jezus nu te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,
7Kwam een vrouw tot Hem met een albasten fles met zeer kostbare zalf, en zij goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij aan tafel aanlag.
8Maar toen Zijn discipelen dit zagen, werden zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe dient dit verlies?
9Want deze zalf had voor veel kunnen worden verkocht en aan de armen worden gegeven.
10Maar Jezus, dit bemerkende, zeide tot hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Zij heeft immers een goede daad aan Mij verricht.