Mattheüs 26:21
“En terwijl zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal overleveren.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
En van die tijd af zocht hij een gelegenheid om Hem over te leveren.
17Op de eerste dag nu van het feest der ongezuurde broden kwamen de discipelen tot Jezus en zeiden: Waar wilt U dat wij het Pascha voor U bereiden?
18En Hij zei: Gaat naar de stad, naar een zekere man, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen.
19En de discipelen deden zoals Jezus hun had opgedragen, en zij bereidden het Pascha.
20Toen de avond nu gevallen was, lag Hij aan met de twaalf.
En terwijl zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal overleveren.
En zij werden zeer bedroefd en begonnen ieder van hen tot Hem te zeggen: Heer, ben ik het?
23En Hij antwoordde en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel doopt, die zal Mij overleveren.
24De Zoon des mensen gaat heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware goed voor die mens geweest, als hij niet geboren was.
25Toen antwoordde Judas, die Hem verraadde, en zei: Meester, ben ik het? Hij zei tot hem: Gij hebt het gezegd.
26En terwijl zij aten, nam Jezus het brood, zegende het, brak het en gaf het aan de discipelen en zei: Neemt, eet; dit is Mijn lichaam.