Mattheüs 26:25
“Toen antwoordde Judas, die Hem verraadde, en zei: Meester, ben ik het? Hij zei tot hem: Gij hebt het gezegd.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
Toen de avond nu gevallen was, lag Hij aan met de twaalf.
21En terwijl zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal overleveren.
22En zij werden zeer bedroefd en begonnen ieder van hen tot Hem te zeggen: Heer, ben ik het?
23En Hij antwoordde en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel doopt, die zal Mij overleveren.
24De Zoon des mensen gaat heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware goed voor die mens geweest, als hij niet geboren was.
Toen antwoordde Judas, die Hem verraadde, en zei: Meester, ben ik het? Hij zei tot hem: Gij hebt het gezegd.
En terwijl zij aten, nam Jezus het brood, zegende het, brak het en gaf het aan de discipelen en zei: Neemt, eet; dit is Mijn lichaam.
27En Hij nam de drinkbeker en dankte, en gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit;
28Want dit is Mijn bloed van het nieuwe verbond, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
29Maar Ik zeg u: Ik zal van nu aan niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, totdat die dag komt waarop Ik die nieuw met u zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.
30En nadat zij een lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.