Micha 3:1
“En ik zeide: Hoort toch, o hoofden van Jakob, en gij vorsten van het huis Israëls; betaamt het u niet het recht te kennen?”
Kruisverwijzingen
Context
Micha 3 — omringende verzen
En ik zeide: Hoort toch, o hoofden van Jakob, en gij vorsten van het huis Israëls; betaamt het u niet het recht te kennen?
Die het goede haten en het kwade liefhebben; die hun huid van hen afstropen en hun vlees van hun gebeente.
3Die ook het vlees van Mijn volk eten, en hun huid van hen afstropen; en zij breken hun beenderen en hakken ze in stukken, als voor de pot, en als vlees binnen de ketel.
4Dan zullen zij roepen tot de HEER, maar Hij zal hen niet verhoren; Hij zal Zijn aangezicht voor hen verbergen te dier tijd, gelijk als zij kwaad deden in hun handelingen.
5Zo zegt de HEER aangaande de profeten die Mijn volk doen dwalen, die bijten met hun tanden en roepen: Vrede; maar wie niets in hun mond legt, diegene bereiden zij de oorlog.
6Daarom zal de nacht over u zijn, zodat gij geen gezicht zult hebben; en duisternis zal over u zijn, zodat gij niet zult waarzeggen; en de zon zal ondergaan over de profeten, en de dag zal donker over hen zijn.