Micha 3:5
“Zo zegt de HEER aangaande de profeten die Mijn volk doen dwalen, die bijten met hun tanden en roepen: Vrede; maar wie niets in hun mond legt, diegene bereiden zij de oorlog.”
Kruisverwijzingen
Context
Micha 3 — omringende verzen
En ik zeide: Hoort toch, o hoofden van Jakob, en gij vorsten van het huis Israëls; betaamt het u niet het recht te kennen?
2Die het goede haten en het kwade liefhebben; die hun huid van hen afstropen en hun vlees van hun gebeente.
3Die ook het vlees van Mijn volk eten, en hun huid van hen afstropen; en zij breken hun beenderen en hakken ze in stukken, als voor de pot, en als vlees binnen de ketel.
4Dan zullen zij roepen tot de HEER, maar Hij zal hen niet verhoren; Hij zal Zijn aangezicht voor hen verbergen te dier tijd, gelijk als zij kwaad deden in hun handelingen.
Zo zegt de HEER aangaande de profeten die Mijn volk doen dwalen, die bijten met hun tanden en roepen: Vrede; maar wie niets in hun mond legt, diegene bereiden zij de oorlog.
Daarom zal de nacht over u zijn, zodat gij geen gezicht zult hebben; en duisternis zal over u zijn, zodat gij niet zult waarzeggen; en de zon zal ondergaan over de profeten, en de dag zal donker over hen zijn.
7Dan zullen de zieners beschaamd staan, en de waarzeggers zullen verward zijn; ja, zij zullen allen de lippen bedekken, want er is geen antwoord van God.
8Maar ik waarlijk ben vol kracht door de Geest van de HEER, en van oordeel en van sterkte, om Jakob zijn overtreding te verkondigen en Israël zijn zonde.
9Hoort dit toch, gij hoofden van het huis van Jakob, en gij vorsten van het huis Israëls, die het recht verafschuwen en al het rechte verdraaien.
10Zij bouwen Sion op met bloed, en Jeruzalem met ongerechtigheid.