Micha 4:8
“En gij, o toren der kudde, o sterkte van de dochter van Sion, tot u zal het komen, ja, de eerste heerschappij; het koninkrijk zal komen tot de dochter van Jeruzalem.”
Kruisverwijzingen
Context
Micha 4 — omringende verzen
En Hij zal richten onder vele volken, en machtige natiën van ver terechtwijzen; en zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen, en hun speren tot snoeimessen; het ene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
4Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, en niemand zal hen verschrikken; want de mond van de HEER der heerscharen heeft het gesproken.
5Want alle volken wandelen een ieder in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de HEER onze God, voor altijd en eeuwig.
6Te dien dage, zegt de HEER, zal Ik haar bijeenverzamelen die hinkt, en haar vergaderen die verdreven is, en haar die Ik bezocht heb met leed;
7En Ik zal haar die hinkte, maken tot een overblijfsel, en haar die ver weggedreven was, tot een machtig volk; en de HEER zal over hen regeren op de berg Sion, van nu aan en tot in eeuwigheid.
En gij, o toren der kudde, o sterkte van de dochter van Sion, tot u zal het komen, ja, de eerste heerschappij; het koninkrijk zal komen tot de dochter van Jeruzalem.
Waarom nu schreeuwt gij zo luid? Is er geen koning in u? Is uw raadsman vergaan? Want weeën hebben u aangegrepen als een barende vrouw.
10Wees in pijn en arbeid om te baren, o dochter van Sion, als een barende vrouw; want nu zult gij uit de stad gaan, en gij zult op het veld verblijven, en gij zult zelfs tot Babel gaan; daar zult gij verlost worden; daar zal de HEER u verlossen uit de hand van uw vijanden.
11Nu zijn ook vele natiën tegen u vergaderd, die zeggen: Laat haar ontwijd worden, en laat ons oog Sion aanschouwen.
12Maar zij kennen de gedachten van de HEER niet, noch begrijpen zij Zijn raad; want Hij zal hen vergaderen als schoven op de dorsvloer.
13Sta op en dorst, o dochter van Sion; want Ik zal uw hoorn van ijzer maken, en uw hoeven van koper; en gij zult vele volken vermorzelen; en Ik zal hun gewin toewijden aan de HEER, en hun vermogen aan de Heer der ganse aarde.