Nehemia 1:11
“Ach HEER, laat toch Uw oor opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knecht, en op het gebed van Uw knechten, die begeerte hebben om Uw Naam te vrezen; en laat Uw knecht heden voorspoedig zijn, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man. Want ik was de schenker des konings.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 1 — omringende verzen
Laat toch Uw oor opmerkzaam zijn, en Uw ogen open, om te horen het gebed van Uw knecht, dat ik nu voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen van Israël, Uw knechten, en ik belijde de zonden van de kinderen van Israël, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijn vaders huis hebben gezondigd.
7Wij hebben zeer verderfelijk tegen U gehandeld, en hebben de geboden niet onderhouden, noch de inzettingen, noch de rechten, die U Uw knecht Mozes geboden hebt.
8Gedenk toch het woord dat U Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Als u overtreedt, zal Ik u verstrooien onder de volken;
9maar als u zich tot Mij bekeert en Mijn geboden onderhoudt en ze doet, al waren uw verstrooiden aan het uiterste einde des hemels, Ik zal hen van daar verzamelen en breng hen naar de plaats die Ik verkoren heb om Mijn Naam daar te vestigen.
10Nu zijn zij Uw knechten en Uw volk, die U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.
Ach HEER, laat toch Uw oor opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knecht, en op het gebed van Uw knechten, die begeerte hebben om Uw Naam te vrezen; en laat Uw knecht heden voorspoedig zijn, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man. Want ik was de schenker des konings.