Nehemia 11:7
“En dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joed, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja;”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 11 — omringende verzen
En het volk zegende al de mannen die zich vrijwillig aanboden om te Jeruzalem te wonen.
3Dit nu zijn de hoofden van het gewest die te Jeruzalem woonden; maar in de steden van Juda woonde een ieder in zijn bezitting in hun steden: Israël, de priesters en de Levieten, en de Nethiniërs, en de kinderen van de dienaren van Salomo.
4En te Jeruzalem woonden sommigen van de kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;
5en Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kolhoze, de zoon van Hazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van de Siloniet.
6Alle zonen van Perez die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd achtenzestig dappere mannen.
En dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joed, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja;
en na hem Gabbai en Sallai: negenhonderd achtentwintig.
9En Joël, de zoon van Zichri, was hun opziener, en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad.
10Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin.
11Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajot, de zoon van Ahitub, was de overste van het huis Gods.
12En hun broeders die het werk van het huis verrichtten, waren achthonderdtweeëntwintig; en Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharia, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia.