Terug naar Nehemia 11
VSV
Statenvertaling

Nehemia 11:8

en na hem Gabbai en Sallai: negenhonderd achtentwintig.

Kruisverwijzingen

Context

Nehemia 11 — omringende verzen

3

Dit nu zijn de hoofden van het gewest die te Jeruzalem woonden; maar in de steden van Juda woonde een ieder in zijn bezitting in hun steden: Israël, de priesters en de Levieten, en de Nethiniërs, en de kinderen van de dienaren van Salomo.

4

En te Jeruzalem woonden sommigen van de kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

5

en Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kolhoze, de zoon van Hazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van de Siloniet.

6

Alle zonen van Perez die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd achtenzestig dappere mannen.

7

En dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joed, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja;

8

en na hem Gabbai en Sallai: negenhonderd achtentwintig.

9

En Joël, de zoon van Zichri, was hun opziener, en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad.

10

Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin.

11

Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajot, de zoon van Ahitub, was de overste van het huis Gods.

12

En hun broeders die het werk van het huis verrichtten, waren achthonderdtweeëntwintig; en Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharia, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia.

13

En zijn broeders, hoofden der vaderen, tweehonderdtweeënveertig; en Amashaj, de zoon van Azareël, de zoon van Ahasaj, de zoon van Mesillomot, de zoon van Immer,