Nehemia 12:31
“Toen bracht ik de vorsten van Juda op de muur, en ik stelde twee grote koren aan die dankzegden, waarvan het ene naar rechts ging op de muur, naar de Mestpoort toe;”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 12 — omringende verzen
Dezen waren er in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van Ezra, de priester, de schriftgeleerde.
27En bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen op, om hen naar Jeruzalem te brengen, teneinde de inwijding te houden met blijdschap, en met lofzangen, en met gezang, met cimbalen, met luiten en met harpen.
28En de zonen der zangers verzamelden zich, zowel uit de vlakte rondom Jeruzalem, als uit de dorpen der Netofatieten;
29Ook uit Bet-gilgal, en uit de akkers van Geba en Azmawet, want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.
30En de priesters en de Levieten reinigden zichzelf, en zij reinigden het volk, en de poorten, en de muur.
Toen bracht ik de vorsten van Juda op de muur, en ik stelde twee grote koren aan die dankzegden, waarvan het ene naar rechts ging op de muur, naar de Mestpoort toe;
En achter hen gingen Hosaja en de helft van de vorsten van Juda,
33En Azaria, Ezra en Mesullam,
34Juda en Benjamin, en Semaja en Jeremia,
35En enigen van de zonen der priesters met trompetten; namelijk Zacharia, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf:
36En zijn broeders Semaja en Azarel, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneel en Juda, Hanani, met de muziekinstrumenten van David, de man Gods, en Ezra de schriftgeleerde voor hen uit.