Terug naar Nehemia 12
VSV
Statenvertaling

Nehemia 12:40

Zo stonden de twee gezelschappen van hen die dankzegging uitbrachten in het huis Gods, en ik, en de helft van de oversten met mij:

Kruisverwijzingen

Context

Nehemia 12 — omringende verzen

35

En enigen van de zonen der priesters met trompetten; namelijk Zacharia, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf:

36

En zijn broeders Semaja en Azarel, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneel en Juda, Hanani, met de muziekinstrumenten van David, de man Gods, en Ezra de schriftgeleerde voor hen uit.

37

En bij de Fonteinspoort, die tegenover hen was, gingen zij omhoog langs de trappen van de stad van David, bij de opgang van de muur, boven het huis van David, tot aan de Waterpoort aan de oostzijde.

38

En het andere gezelschap van hen die dankzegging uitbrachten, ging daartegenover, en ik achter hen aan, en de helft van het volk op de muur, van voorbij de toren der ovens tot aan de brede muur;

39

En van boven de Efraïmpoort, en boven de Oude Poort, en boven de Vispoort, en de toren van Hananeel, en de toren van Meah, tot aan de Schaapspoort: en zij bleven staan bij de Gevangenispoort.

40

Zo stonden de twee gezelschappen van hen die dankzegging uitbrachten in het huis Gods, en ik, en de helft van de oversten met mij:

41

En de priesters: Eljakim, Maäseja, Miniamin, Michaja, Eljoënai, Zacharia en Hananja, met trompetten;

42

En Maäseja en Semaja, en Eleazar en Uzzi, en Johanan en Malkija, en Elam en Ezer. En de zangers zongen luid, met Jezrahja hun aanvoerder.

43

Ook offerden zij op die dag grote offers en verheugden zich; want God had hen verblijd met grote vreugde; ook de vrouwen en de kinderen verheugden zich, zodat de vreugde van Jeruzalem van verre werd gehoord.

44

En te dien tijde werden sommigen aangesteld over de kamers voor de schatten, voor de offergaven, voor de eerstelingen en voor de tienden, om daarin uit de velden der steden de wettelijke delen voor de priesters en de Levieten te verzamelen; want Juda verheugde zich over de priesters en over de Levieten die dienden.

45

En zowel de zangers als de poortwachters hielden de wacht van hun God, en de wacht van de reiniging, overeenkomstig het gebod van David en van zijn zoon Salomo.