Nehemia 13:28
“En één van de zonen van Joiada, de zoon van Eljasib de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat de Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 13 — omringende verzen
In die dagen zag ik ook Joden die vrouwen hadden gehuwd uit Asdod, uit Ammon en uit Moab:
24En hun kinderen spraken half in de taal van Asdod, en konden niet in de Joodse taal spreken, maar naar de taal van elk volk.
25En ik twistte met hen en vervloekte hen, en sloeg enigen van hen en rukte hun haar uit, en deed hen zweren bij God, zeggende: Gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, noch hun dochters nemen voor uw zonen of voor uzelf.
26Heeft Salomo, de koning van Israël, niet door deze dingen gezondigd? nochtans was er onder vele volken geen koning als hij, die bemind was door zijn God, en God had hem tot koning gesteld over geheel Israël; toch deden ook hem de vreemde vrouwen zondigen.
27Zullen wij dan naar u luisteren om al dit grote kwaad te doen, om tegen onze God te overtreden door vreemde vrouwen te huwen?
En één van de zonen van Joiada, de zoon van Eljasib de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat de Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg.
Gedenk hen, o mijn God, omdat zij het priesterschap hebben verontreinigd, en het verbond van het priesterschap en van de Levieten.
30Zo reinigde ik hen van al het vreemde, en stelde de wachten der priesters en der Levieten aan, een ieder in zijn dienst;
31En voor de houtoffering op de vastgestelde tijden, en voor de eerstelingen. Gedenk mij, o mijn God, ten goede.