Nehemia 5:14
“Voorts, van de tijd af dat ik aangesteld was om hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar tot het twee en dertigste jaar van koning Arthahsasta, dat is twaalf jaren, hebben ik en mijn broeders het brood van de landvoogd niet gegeten.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 5 — omringende verzen
Ook zei ik: Het is niet goed wat gij doet; behoort gij niet te wandelen in de vreze van onze God, vanwege de smaad van de heidenen, onze vijanden?
10Ook ik, en mijn broeders en mijn dienaren, zouden van hen geld en koren kunnen eisen; laat ons toch deze rente kwijtschelden.
11Geeft hun toch, op deze dag, hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen terug, ook het honderdste deel van het geld en van het koren, de wijn en de olie, dat gij van hen heft.
12Toen zeiden zij: Wij zullen het herstellen en niets van hen eisen; zo zullen wij doen zoals gij zegt. Toen riep ik de priesters en deed hen een eed zweren, dat zij naar deze belofte zouden handelen.
13Ook schudde ik mijn schoot leeg en zei: Zo schudde God elke man uit zijn huis en uit zijn arbeid, die deze belofte niet nakomt; zo worde hij uitgeschud en leeggemaakt. En de gehele gemeente zei: Amen! en loofde de HEER. En het volk deed overeenkomstig deze belofte.
Voorts, van de tijd af dat ik aangesteld was om hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar tot het twee en dertigste jaar van koning Arthahsasta, dat is twaalf jaren, hebben ik en mijn broeders het brood van de landvoogd niet gegeten.
Maar de vroegere landvoogden die vóór mij waren, hadden het volk bezwaard en van hen brood en wijn genomen, en daarboven veertig sikkelen zilver; ja, ook hun dienaren hadden geheerschappij gevoerd over het volk. Maar ik deed zo niet, vanwege de vreze Gods.
16Ja, ook zette ik mij in voor de bouw van deze muur, noch kochten wij enig land; en al mijn dienaren waren daarheen vergaderd tot het werk.
17Bovendien waren er aan mijn tafel honderd en vijftig Joden en oversten, behalve hen die tot ons kwamen uit de heidenen die rondom ons zijn.
18Nu was hetgeen voor mij dagelijks bereid werd één os en zes uitgelezen schapen; ook werden er vogels voor mij bereid, en eens in de tien dagen allerlei soorten wijn in overvloed; en desondanks eiste ik het brood van de landvoogd niet op, omdat de dienstbaarheid zwaar was op dit volk.
19Gedenk mij, mijn God, ten goede, naar alles wat ik voor dit volk gedaan heb.