Terug naar Numeri 11
VSV
Statenvertaling

Numeri 11:28

En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, één van zijn uitgelezen mannen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verhinder hen.

Kruisverwijzingen

Context

Numeri 11 — omringende verzen

23

En de HEER zeide tot Mozes: Is des HEREN hand te kort geworden? Nu zult gij zien of Mijn woord u zal overkomen of niet.

24

En Mozes ging uit en verkondigde het volk de woorden van de HEER, en vergaderde de zeventig mannen van de oudsten des volks, en stelde hen rondom de tent.

25

En de HEER daalde neder in de wolk, en sprak tot hem, en nam van de Geest die op hem was, en legde die op de zeventig oudsten; en het geschiedde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, en hielden niet op.

26

Maar twee mannen waren in het kamp achtergebleven; de naam van de ene was Eldad, en de naam van de andere Medad; en de Geest rustte op hen, want zij behoorden tot de ingeschrevenen, maar zij waren niet naar de tent gegaan; en zij profeteerden in het kamp.

27

En een jongeman liep heen en berichtte het Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het kamp.

28

En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, één van zijn uitgelezen mannen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verhinder hen.

29

En Mozes zeide tot hem: Zijt gij jaloers om mijnentwil? Och, of al het volk des HEREN profeten waren, en de HEER Zijn Geest op hen legde!

30

En Mozes keerde terug naar het kamp, hij en de oudsten van Israël.

31

En er stak een wind op van de HEER, en bracht kwartels van de zee, en liet ze bij het kamp neervallen, als het ware een dagreis aan deze zijde en als het ware een dagreis aan de andere zijde, rondom het kamp, en als het ware twee ellen hoog op de oppervlakte der aarde.

32

En het volk stond op die gehele dag, en de gehele nacht, en de gehele volgende dag, en verzamelde de kwartels; wie het minst verzamelde, had tien homer; en zij spreidden ze voor zichzelf rondom het kamp uit.

33

En terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, eer het gekauwd was, ontbrandde de toorn van de HEER tegen het volk, en de HEER sloeg het volk met een zeer grote plaag.