Numeri 12:8
“Met hem spreek Ik mond tot mond, zelfs openlijk, en niet door duistere woorden; en de gestalte van de HEER aanschouwt hij. Waarom dan waart gij niet bevreesd om tegen Mijn knecht Mozes te spreken?”
Kruisverwijzingen
Context
Numeri 12 — omringende verzen
(Nu was de man Mozes zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen op de aardbodem.)
4En de HEER sprak plotseling tot Mozes, en tot Aäron, en tot Mirjam: Komt gij drieën uit naar de tent der samenkomst. En zij drieën kwamen uit.
5En de HEER daalde neder in de wolkkolom, en stond aan de ingang van de tent, en riep Aäron en Mirjam; en zij beiden traden naar voren.
6En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden. Is er een profeet onder u, Ik, de HEER, maak Mij aan hem bekend in een visioen, en spreek tot hem in een droom.
7Mijn knecht Mozes is zulks niet; hij is getrouw in heel Mijn huis.
Met hem spreek Ik mond tot mond, zelfs openlijk, en niet door duistere woorden; en de gestalte van de HEER aanschouwt hij. Waarom dan waart gij niet bevreesd om tegen Mijn knecht Mozes te spreken?
En de toorn van de HEER ontbrandde tegen hen; en Hij vertrok.
10En de wolk week van de tent; en zie, Mirjam was melaats, wit als sneeuw; en Aäron zag Mirjam aan, en zie, zij was melaats.
11En Aäron zeide tot Mozes: Och, mijn heer, leg ons toch deze zonde niet ten laste, omdat wij dwaaslijk gehandeld en gezondigd hebben.
12Laat haar toch niet zijn als een dode, wiens vlees half verteerd is als hij uit de moederschoot komt.
13En Mozes riep tot de HEER, zeggende: O God, heel haar toch, bid ik U.