Numeri 22:38
“En Bileam zei tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; maar heb ik nu enige macht om iets te zeggen? Het woord dat God in mijn mond legt, dat zal ik spreken.”
Kruisverwijzingen
Context
Numeri 22 — omringende verzen
En de ezelin zag Mij en week driemaal van Mij af; als zij niet van Mij geweken was, had Ik u inmiddels zeker gedood en haar in leven gelaten.
34En Bileam zei tot de Engel des HEREN: Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat Gij in de weg stond om mij te weerstaan; nu dan, als het U mishaagt, zal ik terugkeren.
35En de Engel des HEREN zei tot Bileam: Ga met de mannen mee; doch slechts het woord dat Ik u zal spreken, dat zult gij spreken. Zo ging Bileam mee met de vorsten van Balak.
36En toen Balak hoorde dat Bileam gekomen was, ging hij hem tegemoet naar een stad van Moab, die aan de grens van Arnon ligt, die aan het uiterste einde is.
37En Balak zei tot Bileam: Heb ik u niet dringend laten roepen? Waarom zijt gij dan niet tot mij gekomen? Ben ik werkelijk niet in staat u met eer te verheffen?
En Bileam zei tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; maar heb ik nu enige macht om iets te zeggen? Het woord dat God in mijn mond legt, dat zal ik spreken.
En Bileam ging met Balak mee, en zij kwamen te Kirjath-Huzoth.
40En Balak offerde runderen en schapen en zond ervan aan Bileam en aan de vorsten die bij hem waren.
41En het geschiedde op de volgende dag, dat Balak Bileam nam en hem leidde naar de hoogten van Baäl, opdat hij vandaar een deel van het volk zou zien.