Openbaring 14:6
“En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels, die een eeuwig evangelie had om te verkondigen aan hen die op de aarde wonen, en aan elk volk en stam en taal en natie,”
Kruisverwijzingen
Context
Openbaring 14 — omringende verzen
En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vierenveertigduizend, die de naam van Zijn Vader op hun voorhoofd geschreven hadden.
2En ik hoorde een stem uit de hemel, als het geluid van vele wateren en als het geluid van een grote donderslag; en ik hoorde de stem van harpspelers die op hun harpen speelden.
3En zij zongen als een nieuw lied voor de troon, en voor de vier dieren en de oudsten; en niemand kon dat lied leren, behalve de honderd vierenveertigduizend die van de aarde verlost waren.
4Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen waar Hij ook heengaat. Dezen zijn verlost uit de mensen, als eerstelingen voor God en voor het Lam.
5En in hun mond werd geen bedrog gevonden; want zij zijn smetteloos voor de troon van God.
En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels, die een eeuwig evangelie had om te verkondigen aan hen die op de aarde wonen, en aan elk volk en stam en taal en natie,
En hij zei met luide stem: Vrees God en geef Hem eer, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbid Hem die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft.
8En een andere engel volgde, zeggende: Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, want zij heeft alle volken doen drinken van de wijn van de toorn van haar hoererij.
9En een derde engel volgde hen, zeggende met luide stem: Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en een merkteken ontvangt op zijn voorhoofd of op zijn hand,
10Die zal ook drinken van de wijn van de toorn van God, die ongemengd is ingeschonken in de drinkbeker van Zijn gramschap; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel voor de ogen van de heilige engelen en voor de ogen van het Lam.
11En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben geen rust dag noch nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.