Openbaring 21:11
“Hebbende de heerlijkheid Gods; en haar glans was als een allerkostbaarste steen, ja als een jaspissteen, helder als kristal;”
Kruisverwijzingen
Context
Openbaring 21 — omringende verzen
En Hij zei tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Ik zal hem die dorst heeft, vrijelijk geven van de fontein van het water des levens.
7Wie overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem tot een God zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn.
8Maar de vreesachtigen, en de ongelovigen, en de gruwelijken, en de moordenaars, en de hoereerders, en de tovenaars, en de afgodendienaars, en alle leugenaars, zullen hun deel hebben in de poel die brandt van vuur en zwavel; dit is de tweede dood.
9En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam tot mij en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u de bruid, de vrouw des Lams, tonen.
10En hij voerde mij weg in de geest naar een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, neerdalende uit de hemel van God,
Hebbende de heerlijkheid Gods; en haar glans was als een allerkostbaarste steen, ja als een jaspissteen, helder als kristal;
En zij had een grote en hoge muur, met twaalf poorten, en bij de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, namelijk de namen van de twaalf stammen van de kinderen Israëls.
13Aan de oostzijde drie poorten, aan de noordzijde drie poorten, aan de zuidzijde drie poorten, en aan de westzijde drie poorten.
14En de muur van de stad had twaalf fundamenten, en daarop de namen van de twaalf apostelen des Lams.
15En hij die met mij sprak, had een gouden meetriet om de stad te meten, en haar poorten, en haar muur.
16En de stad ligt als een vierkant, en haar lengte is even groot als haar breedte. En hij mat de stad met het riet: twaalfduizend stadiën. De lengte en de breedte en de hoogte ervan zijn gelijk.