Terug naar Prediker 2
VSV
Statenvertaling

Prediker 2:7

Ik verwierf knechten en maagden, en had in mijn huis geboren slaven; ook had ik grotere bezittingen aan groot en klein vee dan allen die vóór mij in Jeruzalem waren;

Kruisverwijzingen

Context

Prediker 2 — omringende verzen

2

Van het lachen zei ik: Het is dwaasheid; en van de vrolijkheid: Wat baat zij?

3

Ik zocht in mijn hart om mijzelf aan de wijn over te geven, terwijl ik mijn hart toch met wijsheid vertrouwde; en om de dwaasheid te omhelzen, totdat ik zou zien wat goed is voor de mensenkinderen, dat zij zouden doen onder de hemel al de dagen van hun leven.

4

Ik maakte grote werken voor mijzelf; ik bouwde huizen voor mijzelf; ik plantte wijngaarden voor mijzelf;

5

Ik maakte tuinen en parken voor mijzelf, en ik plantte daarin bomen van allerlei soorten vruchten;

6

Ik maakte waterbekkens voor mijzelf, om daarmee het woud te bewateren dat bomen voortbrengt;

7

Ik verwierf knechten en maagden, en had in mijn huis geboren slaven; ook had ik grotere bezittingen aan groot en klein vee dan allen die vóór mij in Jeruzalem waren;

8

Ik vergaarde ook zilver en goud voor mijzelf, en de bijzondere schatten van koningen en gewesten; ik verkreeg zangers en zangeressen, en de genoegens der mensen, allerlei muziekinstrumenten, van alle soorten.

9

Zo werd ik groot en nam meer toe dan allen die vóór mij in Jeruzalem waren; ook bleef mijn wijsheid mij bij.

10

En alles wat mijn ogen begeerden, hield ik hun niet; ik onthield mijn hart geen enkele vreugde; want mijn hart verheugde zich in al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.

11

Daarna beschouwde ik al de werken die mijn handen hadden gemaakt, en de arbeid die ik gearbeid had om te doen; en zie, alles was ijdelheid en kwelling van geest, en er was geen voordeel onder de zon.

12

Toen keerde ik mij om, om wijsheid te beschouwen, en dwaasheid en zotheid; want wat kan de mens doen die na de koning komt? Slechts wat al gedaan is.