VSV
StatenvertalingPsalmen 129:7
“Waarmee de maaier zijn hand niet vult, noch hij die de schoven bindt zijn schoot.”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 129 — omringende verzen
2
Vele malen hebben zij mij verdrukt van mijn jeugd af; maar zij hebben mij niet overwonnen.
3De ploegenden hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang gemaakt.
4De HEER is rechtvaardig; Hij heeft de touwen der goddelozen doorgesneden.
5Laten allen die Sion haten, beschaamd worden en terugwijken.
6Laten zij zijn als het gras op de daken, dat verdort voordat het opgroeit;
7
8Waarmee de maaier zijn hand niet vult, noch hij die de schoven bindt zijn schoot.
En zij die voorbijgaan, zeggen niet: De zegen van de HEER zij over u; wij zegenen u in de naam van de HEER.