Psalmen 6:5
“Want in de dood is er geen gedachtenis aan U; wie zal U lof zeggen in het graf?”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 6 — omringende verzen
O HEER, bestraf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw brandende gramschap.
2Wees mij genadig, o HEER, want ik ben verzwakt; o HEER, genees mij, want mijn beenderen zijn verschrikt.
3Mijn ziel is ook zeer verschrikt; maar U, o HEER, hoe lang?
4Keer weder, o HEER, red mijn ziel; verlos mij om Uw goedertierenheid wil.
Want in de dood is er geen gedachtenis aan U; wie zal U lof zeggen in het graf?
Ik ben moede van mijn zuchten; alle nacht doe ik mijn bed zwemmen; met mijn tranen doorweek ik mijn legerstede.
7Mijn oog is uitgeteerd van verdriet; het is oud geworden vanwege al mijn vijanden.
8Wijkt van mij, alle bedrijvers der ongerechtigheid, want de HEER heeft de stem van mijn geween gehoord.
9De HEER heeft mijn smeking gehoord; de HEER zal mijn gebed aannemen.
10Laten al mijn vijanden beschaamd en zeer verschrikt worden; laten zij terugkeren en plotseling beschaamd worden.