Terug naar Richteren 11
VSV
Statenvertaling

Richteren 11:7

En Jefta zei tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij niet gehaat en mij uitgedreven uit het huis van mijn vader? Waarom komt gij dan nu tot mij, wanneer gij in nood zijt?

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 11 — omringende verzen

2

En de vrouw van Gilead baarde hem zonen; en de zonen van zijn vrouw werden groot, en zij verdreven Jefta en zeiden tot hem: Gij zult in het huis van onze vader niet erven, want gij zijt de zoon van een vreemde vrouw.

3

Toen vluchtte Jefta voor zijn broeders en woonde in het land Tob; en er verzamelden zich ijdele mannen bij Jefta, en zij trokken met hem uit.

4

En het geschiedde na verloop van tijd, dat de kinderen van Ammon Israël de oorlog aandeden.

5

En het geschiedde, toen de kinderen van Ammon Israël de oorlog aandeden, dat de oudsten van Gilead gingen om Jefta te halen uit het land Tob.

6

En zij zeiden tot Jefta: Kom, en wees ons aanvoerder, opdat wij strijden tegen de kinderen van Ammon.

7

En Jefta zei tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij niet gehaat en mij uitgedreven uit het huis van mijn vader? Waarom komt gij dan nu tot mij, wanneer gij in nood zijt?

8

En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: Daarom keren wij ons nu tot u, opdat gij met ons gaat en strijdt tegen de kinderen van Ammon, en ons hoofd zijt over alle inwoners van Gilead.

9

En Jefta zei tot de oudsten van Gilead: Indien gij mij terugbrengt om te strijden tegen de kinderen van Ammon, en de HEER hen voor mij uitlevert, zal ik dan uw hoofd zijn?

10

En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: De HEER zij getuige tussen ons, indien wij niet doen naar uw woorden.

11

Toen ging Jefta met de oudsten van Gilead mee, en het volk stelde hem aan tot hoofd en aanvoerder over hen; en Jefta sprak al zijn woorden voor de HEER in Mizpa.

12

En Jefta zond boden tot de koning der kinderen van Ammon met de boodschap: Wat hebt gij met mij te maken, dat gij tegen mij opgetrokken zijt om in mijn land te strijden?