Terug naar Richteren 13
VSV
Statenvertaling

Richteren 13:6

Toen ging de vrouw heen en vertelde het haar man en zei: Een man Gods is tot mij gekomen, en zijn aanzien was als het aanzien van een Engel Gods, zeer ontzagwekkend; maar ik vroeg hem niet vanwaar hij was, en zijn naam maakte hij mij niet bekend.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 13 — omringende verzen

1

En de kinderen Israëls deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van de HEER; en de HEER gaf hen over in de hand van de Filistijnen, veertig jaar lang.

2

En er was een zekere man uit Zora, uit het geslacht van de Danieten, wiens naam Manoach was; en zijn vrouw was onvruchtbaar en had niet gebaard.

3

En de Engel van de HEER verscheen aan de vrouw en zei tot haar: Zie toch, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.

4

Nu dan, wacht u toch en drink geen wijn of sterke drank, en eet niets onreins;

5

Want zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; en geen scheermes zal op zijn hoofd komen, want de jongen zal van de moederschoot af een Nazireeër voor God zijn; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.

6

Toen ging de vrouw heen en vertelde het haar man en zei: Een man Gods is tot mij gekomen, en zijn aanzien was als het aanzien van een Engel Gods, zeer ontzagwekkend; maar ik vroeg hem niet vanwaar hij was, en zijn naam maakte hij mij niet bekend.

7

Maar hij zei tot mij: Zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; nu dan, drink geen wijn of sterke drank en eet niets onreins, want de jongen zal van de moederschoot af tot aan de dag van zijn dood een Nazireeër voor God zijn.

8

Toen smeekte Manoach de HEER en zei: O Heer, laat toch de man Gods die Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen en ons leren wat wij met de jongen die geboren zal worden, moeten doen.

9

En God verhoorde de stem van Manoach; en de Engel Gods kwam weder tot de vrouw, terwijl zij op het veld zat; maar haar man Manoach was niet bij haar.

10

En de vrouw haastte zich en liep en vertelde het haar man en zei tot hem: Zie, de man die de andere dag tot mij gekomen is, is mij verschenen.

11

En Manoach stond op en ging zijn vrouw achterna, en hij kwam tot de man en zei tot hem: Zijt gij de man die tot deze vrouw gesproken heeft? En hij zei: Ik ben het.