Terug naar Richteren 14
VSV
Statenvertaling

Richteren 14:8

En na enige tijd keerde hij terug om haar te nemen, en hij week af om het karkas van de leeuw te bekijken; en zie, er was een bijenzwerm in het karkas van de leeuw, en honing.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 14 — omringende verzen

3

Toen zeiden zijn vader en zijn moeder tot hem: Is er dan geen vrouw onder de dochters van uw broeders of onder heel mijn volk, dat gij een vrouw gaat nemen bij de onbesneden Filistijnen? En Simson zei tot zijn vader: Neemt haar voor mij, want zij bevalt mij.

4

Maar zijn vader en zijn moeder wisten niet dat dit van de HEER was, dat hij een aanleiding zocht tegen de Filistijnen; want te dien tijde hadden de Filistijnen heerschappij over Israël.

5

Toen trok Simson af, en zijn vader en zijn moeder, naar Timna, en zij kwamen bij de wijngaarden van Timna; en zie, een jonge leeuw brulde hem tegemoet.

6

En de Geest van de HEER kwam machtig over hem, en hij verscheurde hem als iemand die een geitenbokje verscheurt, en hij had niets in zijn hand; maar hij vertelde zijn vader noch zijn moeder wat hij gedaan had.

7

En hij ging af en sprak met de vrouw, en zij beviel Simson.

8

En na enige tijd keerde hij terug om haar te nemen, en hij week af om het karkas van de leeuw te bekijken; en zie, er was een bijenzwerm in het karkas van de leeuw, en honing.

9

En hij schepte ervan in zijn handen en ging voort al etende, en hij ging naar zijn vader en moeder en gaf hun ervan, en zij aten; maar hij vertelde hun niet dat hij de honing uit het karkas van de leeuw genomen had.

10

Zo trok zijn vader af naar de vrouw; en Simson richtte daar een maaltijd aan, want zo plachten de jonge mannen te doen.

11

En het geschiedde, toen zij hem zagen, dat zij dertig metgezellen meebrachten om bij hem te zijn.

12

En Simson zei tot hen: Laat mij u nu een raadsel opgeven; als gij het mij gedurende de zeven dagen van de maaltijd kunt verklaren en het oplost, dan zal ik u dertig linnen kleren en dertig stel klederen geven.

13

Maar als gij het mij niet kunt verklaren, dan zult gij mij dertig linnen kleren en dertig stel klederen geven. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel op, opdat wij het horen.