Terug naar Richteren 18
VSV
Statenvertaling

Richteren 18:19

En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons mee, en wees ons een vader en een priester; is het beter voor u priester te zijn voor het huis van één man, of priester te zijn voor een stam en een geslacht in Israël?

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 18 — omringende verzen

14

Toen antwoordden de vijf mannen die het land van Laïs hadden verspied en zeiden tot hun broeders: Weet u dat er in deze huizen een efod is en terafim en een gesneden beeld en een gegoten beeld? Overleg nu wat u te doen staat.

15

En zij wendden zich daarheen en kwamen tot het huis van de jongeman, de Leviet, bij het huis van Micha, en groetten hem.

16

En de zeshonderd man, toegerust met hun oorlogswapens, die van de kinderen van Dan waren, stonden bij de ingang van de poort.

17

En de vijf mannen die het land hadden verspied, gingen naar boven en kwamen daarbinnen en namen het gesneden beeld en de efod en de terafim en het gegoten beeld; en de priester stond in de ingang van de poort met de zeshonderd man die toegerust waren met oorlogswapens.

18

En dezen gingen het huis van Micha in en namen het gesneden beeld, de efod, de terafim en het gegoten beeld. Toen zeide de priester tot hen: Wat doet u?

19

En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons mee, en wees ons een vader en een priester; is het beter voor u priester te zijn voor het huis van één man, of priester te zijn voor een stam en een geslacht in Israël?

20

En het hart van de priester was verheugd; en hij nam de efod en de terafim en het gesneden beeld en begaf zich in het midden van het volk.

21

Zo keerden zij om en trokken weg, en stelden de kleinen en het vee en de bagage voor zich.

22

En toen zij een eind wegs van het huis van Micha waren, kwamen de mannen die bij de huizen dicht bij het huis van Micha woonden bijeen en haalden de kinderen van Dan in.

23

En zij riepen de kinderen van Dan na. En dezen keerden hun gezicht om en zeiden tot Micha: Wat is er met u, dat u met zo'n troep gekomen bent?

24

En hij zeide: U hebt mijn goden die ik gemaakt heb weggenomen, en de priester, en u bent weggegaan; en wat heb ik dan nog over? En wat bedoelt u met te zeggen: Wat is er met u?