Terug naar Richteren 19
VSV
Statenvertaling

Richteren 19:12

En zijn heer zeide tot hem: Wij zullen niet afwijken naar een vreemde stad, die niet van de kinderen Israëls is; wij zullen doortrekken naar Gibea.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 19 — omringende verzen

7

En toen de man opstond om te vertrekken, drong zijn schoonvader bij hem aan; en hij overnachtte daar opnieuw.

8

En hij stond vroeg op in de morgen van de vijfde dag om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide: Versterk toch uw hart. En zij talmen tot de namiddag, en zij aten beiden.

9

En toen de man opstond om te vertrekken, hij en zijn bijvrouw en zijn knecht, zeide zijn schoonvader, de vader van het meisje, tot hem: Zie, de dag daalt nu naar de avond toe, ik bid u, blijft vannacht; zie, de dag loopt ten einde, overnacht hier, opdat uw hart vrolijk zij; en morgen vroeg maakt u zich op uw weg, zodat u naar uw huis gaat.

10

Maar de man wilde die nacht niet overnachten; en hij stond op en vertrok en kwam tegenover Jebus, dat is Jeruzalem; en er waren bij hem twee gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw bij hem.

11

En toen zij bij Jebus waren, was de dag ver gevorderd; en de knecht zeide tot zijn heer: Kom toch en laat ons afwijken naar deze stad der Jebusieten en daarin overnachten.

12

En zijn heer zeide tot hem: Wij zullen niet afwijken naar een vreemde stad, die niet van de kinderen Israëls is; wij zullen doortrekken naar Gibea.

13

En hij zeide tot zijn knecht: Kom, laat ons naar een van deze plaatsen naderen om de nacht door te brengen, in Gibea of in Rama.

14

En zij trokken verder en gingen hun weg; en de zon ging over hen onder toen zij bij Gibea waren, dat aan Benjamin behoort.

15

En zij weken daarheen af om naar binnen te gaan en in Gibea te overnachten; en hij ging naar binnen en zat neer op een plein der stad; want er was niemand die hen in zijn huis opnam tot een nachtverblijf.

16

En zie, er kwam een oud man van zijn werk van het veld in de avond; en hij was ook van het gebergte van Efraïm en verbleef te Gibea; maar de mannen van de plaats waren Benjaminieten.

17

En toen hij zijn ogen ophief, zag hij een reiziger op het plein der stad; en de oude man zeide: Waar gaat u heen, en vanwaar komt u?