Terug naar Richteren 19
VSV
Statenvertaling

Richteren 19:8

En hij stond vroeg op in de morgen van de vijfde dag om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide: Versterk toch uw hart. En zij talmen tot de namiddag, en zij aten beiden.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 19 — omringende verzen

3

En haar man stond op en ging haar achterna om naar haar hart te spreken en haar terug te brengen, en zijn knecht was bij hem en een paar ezels; en zij bracht hem in het huis van haar vader; en toen de vader van het meisje hem zag, verheugde hij zich hem te ontmoeten.

4

En zijn schoonvader, de vader van het meisje, hield hem terug; en hij bleef drie dagen bij hem; en zij aten en dronken en overnachtten daar.

5

En het geschiedde op de vierde dag, dat zij vroeg in de morgen opstonden, dat hij opstond om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide tot zijn schoonzoon: Versterk uw hart met een stuk brood en ga daarna uw weg.

6

En zij zaten neer en aten en dronken beiden samen; want de vader van het meisje had tot de man gezegd: Wees toch tevreden en blijf vannacht, en laat uw hart vrolijk zijn.

7

En toen de man opstond om te vertrekken, drong zijn schoonvader bij hem aan; en hij overnachtte daar opnieuw.

8

En hij stond vroeg op in de morgen van de vijfde dag om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide: Versterk toch uw hart. En zij talmen tot de namiddag, en zij aten beiden.

9

En toen de man opstond om te vertrekken, hij en zijn bijvrouw en zijn knecht, zeide zijn schoonvader, de vader van het meisje, tot hem: Zie, de dag daalt nu naar de avond toe, ik bid u, blijft vannacht; zie, de dag loopt ten einde, overnacht hier, opdat uw hart vrolijk zij; en morgen vroeg maakt u zich op uw weg, zodat u naar uw huis gaat.

10

Maar de man wilde die nacht niet overnachten; en hij stond op en vertrok en kwam tegenover Jebus, dat is Jeruzalem; en er waren bij hem twee gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw bij hem.

11

En toen zij bij Jebus waren, was de dag ver gevorderd; en de knecht zeide tot zijn heer: Kom toch en laat ons afwijken naar deze stad der Jebusieten en daarin overnachten.

12

En zijn heer zeide tot hem: Wij zullen niet afwijken naar een vreemde stad, die niet van de kinderen Israëls is; wij zullen doortrekken naar Gibea.

13

En hij zeide tot zijn knecht: Kom, laat ons naar een van deze plaatsen naderen om de nacht door te brengen, in Gibea of in Rama.